Reisverhalen

Een grote hobby van mij is reizen. Met name ga ik graag naar de VS. Hieronder kun je enkele reisblogs lezen en ook een recensie van ICYERE, de documentaire van een filmmaker die ik ontmoette in het vliegtuig naar Cincinatti.

  • The patient in room number 5
  • Ryan’s all you can eat
  • Sully the silly pilot whale
  • ICYIZERE: Hope
  • The patient in room number 5

     

    Augustus 2010


    In de Verenigde Staten maakte ik in 2010 bijzondere dingen mee. Belandde in veel hilarische situaties en een aantal blogs zullen daarover gaan. Ook heb ik kort in het ziekenhuis gelegen, dat verhaal lees je hieronder. Hoewel ook in onderstaande blog hier en daar humor zit, moet ik eerlijk zeggen dat het ziekenhuisverhaal geen pretje was. Ik was bang en voelde me vreselijk.

    Toen ik nog een kind was vertelde mijn moeder altijd dat ik elke dag schoon ondergoed aanmoest. “Je weet nooit wat er kan gebeuren, straks krijg je een ongeluk en moet je naar het ziekenhuis. Dan kan je geen vuil ondergoed aanhebben.”

    Een klassieker. Uit rondvraag bij mijn eigen vrienden en kennissenkring blijkt dat meerdere moeders vroeger deze stelling hebben geopperd. Ik moest altijd lachen en zag mezelf al bloedend op straat liggen, half tegen een bumper aangekleefd. Fragmenten van mijn ribben als Mikadostokjes op de grond en een ambulancebroeder krampachtig vasthoudend. Ik sputter nog “Help me”, maar de broeder ziet het meteen en zegt: “Sorry, hier kan ik niet aan beginnen, geen schoon ondergoed.” Waarop hij met de ambulance wegscheurt naar de volgende die dringend hulp nodig heeft. En wel een schone onderbroek draagt.

    Het gekke is dat toen ik hulp nodig had er ook nog even door mijn hoofd schoot: “Gelukkig heb ik schoon ondergoed aan.” Gek hoe zoiets dan toch kennelijk in mijn achterhoofd bleef hangen.

    In Chicago

    In het vliegtuig van Schiphol naar Chicago voelde ik me niet goed. Mijn maag deed die ochtend pijn, maar met een paar paracetamolletjes is dat vast snel over, dacht ik. Ik sliep veel en in Chicago liep ik met mijn koffer moeizaam door de luchthaven. We maakten een overstap; de vakantie was net begonnen.

    In het vliegtuig van Chicago naar Houston voelde ik me nog steeds niet goed en probeerde zoveel mogelijk te slapen. Toen we in het hotel hadden ingecheckt ging ik meteen naar bed. Mijn roommate S. zei nog: “Het is vast het tijdsverschil. Morgen voel je je vast anders.”

    De volgende dag ging het iets beter, maar verre van goed. Weinig eetlust, geen energie. We bezochten NASA en hadden die avond een gezellig etentje met wat reisgenoten. Ik ging al vroeg slapen en de volgende dag reden we naar Louisiana. In Lafayette hadden we een stop. Ik sjouwde mijn koffer de hotelkamer in en kleedde me om.

    Naar het ziekenhuis

    Na een namiddag aan het zwembad ging ik weer naar mijn kamer. Mijn ogen vielen zowat dicht en toen ik het matras voelde vielen de lichten uit. Kort daarna kwam S. terug. Ze had een hoop lol gehad met een paar dronken rednecks. “Hey, het lijkt wel een Tarantinofilm buiten! Die bezopen kerels, vol met tattoos en ze scheppen op over wapens. Grote bek, maar uiteindelijk hebben ze een klein hartje! Hoe gaat het met jou, slaapkop?”

    “Wel ok,” zei ik slaperig. “Ben wel blij morgen weer door te reizen. Die jongens klinken nu niet echt alsof je ze snel op een feestje uitnodigt.”

    “Haha, inderdaad!” Ik hoorde S. nog in haar koffer rommelen, stond op en liep naar de badkamer. Dat is het laatste beeld en de laatste conversatie die ik me nog van die avond kon herinneren.

    Van de periode die volgde herinner ik me vlagen. Ik zag het hoofd van S. en hoorde geschreeuw. Daarna het hoofd van de reisleider. In een busje reden we naar een ziekenhuis. Ik kwam een beetje bij en de reisleider zei: “Hey there shorty! Welcome back! We’re gonna take you to the hospital ok?” Ik hoorde hem en daarna viel ik weer weg. Het volgende moment lag ik in een ziekenhuisbed met zo’n charmant hemd aan. En daaronder niks, behalve mijn slipje. Een broeder zat aan mijn linkerarm met pleisters te prutsen. Het werd me meteen duidelijk dat ik aan een infuus hing, in het ziekenhuis lag en ik had geen idee waarom. De man praatte rustig tegen me, maar het klonk allemaal ver weg.

    Een vreemd shirt, vreemde mensen om me heen en nog steeds niet wetend wat er aan de hand was werd me teveel en ik raakte in paniek. Een andere man kwam de ruimte binnen en zag me hyperventileren. Hij sprak op dezelfde toon als de broeder en even later viel ik in slaap.

    Ik kwam weer bij en hing nog steeds aan het infuus. Alles was nu helder. Het bordje in de kamer met ‘exit’. Mijn ziekenhuishemd met gekke figuurtjes en een open rug. “Gelukkig heb ik schoon ondergoed aan,” schoot als een absurde gedachte door mijn hoofd.

    Buikgriep

    De man die ik eerder zag en de broeder kwamen de kamer binnen. Ik kon ze goed verstaan. “Hi, I’m M. Odet, MD.” De man gaf me een hand. “What happened?” vroeg ik meteen. “Everything’s going to be alright. You are dehydrated and your sodium is very low.”

    Na onderzoek bleek dat ik een verwaarloosde buikgriep had en als gevolg daarvan was ik volledig uitgedroogd.  “If your roomate didn’t find you, things would have been a lot worse.” Ik had hem niet gevraagd wat dat ‘worse’ dan was. Maar ik voelde me wat beter en was niet van plan nog langer in het ziekenhuis te blijven. “Can you please take this needle out of me? I’m feeling better now and tomorrow’s gonna be a long day. We’re going to New-Orleans, you see.”

    Dat had ik gedacht. “No missy, we’re gonna let you stay here for the night. If the medication is working you are going to get anti-biotics and a dietplan.”

    Een dieetplan? Ik weeg 56 kilo! En door dit ziekenhuisgedoe vast minder. En waar waren mijn kleren? Waar was mijn roommate en de reisleider? De dokter had overal een antwoord op.

    Ik hoorde gesmiespel op de gang dat de ‘patient in roomnumber 5’ weer bij kennis was. Ik bekeek mijn arm. De broeder had enorm zijn best gedaan. Een paar pleisters hielden het infuus op zijn plaats, allemaal evenredig van elkaar geplakt en keurig recht. Er was alleen helaas wel een blauwe plek ontstaan, ter grootte van de staat Texas. Maar je kunt niet alles hebben.  Bovendien lag ik nou niet bepaald in de positie om op of aanmerkingen te hebben op het handelen van het ziekenhuispersoneel. De arts gaf me een waslijst aan van alles wat ik niet meer mocht hebben de komende weken. Uiteraard geen alcohol. Geen vet eten (en ik zit notabene in de VS!) en veel beweging om de hele bloedsomloop weer op gang te krijgen. Had veel geslapen, kennelijk was de boel vastgeroest.

    Tegen de ochtend lieten ze me gaan. De reisleider en mijn kamergenote hadden al die tijd gewacht, maar mochten de ruimte waar ik lag niet binnen. Ze werden wel steeds op de hoogte gehouden. Eenmaal terug in het hotel douchte ik snel en pakte nog een paar kleine uurtjes slaap. De volgende dag stond een alligatorfarm op het programma op onze weg naar New-Orleans. En dan kon ik natuurlijk niet slaperig aankomen.

    Bron: Bed & Breakfast.com

    Ryan’s all you can eat

     

    Augustus 2010


    Tijdens mijn drie weken door het Zuid-Oosten van de Verenigde Staten in 2010 heb ik veel meegemaakt. We zijn op weg naar Murfreesboro Tennessee. What the hell moet je daar, behalve er flink voorbijsjezen; 56 kilometer verderop zit je namelijk in Nashville. Bakermat van de countrymuziek. Heerlijk stadje.Nashville was ook onze bestemming, maar in Murfreesboro schijnt één van de restaurants uit de keten van Ryan’s Steakhouses te zitten met een ‘All you can eat’ formule.

    Fa(s)t food!

    “We’re here!” gilt onze gids Diego luidkeels door de bus. Slaperig stap ik uit en loop de toko binnen.

    Voor een paar dollar mag je zoveel eten als je wilt. Voor veel Amerikanen en sommige toeristen is het ‘heaven on earth’. Binnen zie ik twee lange bars met schalen vol eten. Vies eten. Vet eten en veel eten. Kippenpoten zo groot als een kinderarm, mush potatoes waarmee je stenen metselt, en bakken gravy waar je een complete vloot brandstofmotoren met gemak mee soepel houdt. En etende mensen. Veel etende mensen. Vette etende mensen.

    De lange rij aan de eerste bar geeft mij al een verzadigd gevoel. In de eetkamer zie ik iedereen aan zijn of haar maaltijd. Alsof je in een strip van Asterix en Obelix bent beland waar elk verhaal wordt afgesloten met een groots eetfestijn in het dorp.
    Een vrouw zit wat ongemakkelijk en pakt een tweede stoel erbij om haar vetkwabben wat meer ondersteuning te geven. Ze smakt en kakelt tegen haar man, die er uitziet als Barbapapa. Inclusief de paarse kleur. Heb het stel zeker drie keer in de rij zien staan, likkebaardend voor de schalen met kadavers. Mijn groepsgenoten sluiten aan in de rijen bij de bars.

    Ik pak wat brood en wil de eetzaal inlopen als er ineens een zwetende man met pretoogjes (type Sumoworstelaar) naast me komt staan. “Hello darling, have you decided what to eat?” Ik bedenk me dat ik vrij weinig zin heb in kip met motorolie of de behoefte voel mijn maag en darmen te laten volstorten met beton. “Hm, I’m a bit undecided..” stamel ik. De man begint te lachen. “Look over there. You see that bar?” De man wijst naar achterin het restaurant, naar een kleine bar waar niemand staat. “That’s the fruit and saladbar. It’s great, you sure gonna like it.”

    Once upon a time in the West…

    De man liegt niet. Ik loop naar de bar en zie schalen vol vers fruit uit het niets opdoemen. Mango’s, aardbeien, verse ananas en wel 4 soorten meloen. Aan de andere kant tomaten, komkommers, olijven, verse spinazie en noem maar op. Het is er verder compleet uitgestorven. Er komt niet eens bediening en de paar tafels bij de bar zijn leeg. Het verf van de stoelen is afgebladderd. Je hoort de muziek in het restaurant ver op de achtergrond en tumbleweed rolt voorbij. Het country liedje op de achtergrond maakt voor mij het plaatje van een verlaten saloon compleet. Ik schep in alle rust twee bordjes vol met fruit en groente en keer terug naar de plek waar de andere reisgenoten zitten. De eettafel lijkt een slagveld. Overal liggen botten. Reisgenoot S. vraagt:”Je weet niet wat je mist hoor, de kip is heerlijk!” Ook de andere groepsgenoten schijnen weinig interesse te hebben in het fruit en de groente. “We zijn in Amerika, dan moet je toch ook echt het land proeven!”

    Mijn roommate S. prikt wat in haar eten en zucht dan: “Ok, ik kan er niet meer tegen. Wat een vette troep. Hoe krijgen mensen dit weg? Waar haal je dat fruit vandaan?”

    “Achterin het restaurant. Een verborgen ruimte. Je hebt er een code voor nodig, dan laat de wacht je binnen,” glimlach ik en zet mijn tanden in een groot stuk verse meloen. S. begint te lachen en loopt in de richting van de Verlaten Saloon.

    Eenmaal in de bus opent ze een wit plastic tasje waar ze wat fruit en groente in heeft gedaan. “Je weet maar nooit wanneer je weer een kans krijgt dit te eten!”

    En aan de lange rij billboards onderweg met KFC, Pizza Hut, Wendy’s en Jack in the Boxes kan dat best nog wel een tijd duren…

     

    Sully the silly pilot whale

     

    November 2009

     

    Hoevaak komt het nou voor in je leven dat je oppast op een walvis. Beter gezegd: op een griend. Combi tussen dolfijn en een walvis. Het allernieuwste ding.

    Sully, the pilot whale, kwam in 2009 aanzwemmen op Curacao, enkele meters van de baai vandaan. Ziek, zwak en gewond. De school waar ie thuishoorde had ‘m in de steek gelaten of hij is zelf opgestapt. Soms heb je gewoon dat het niet klikt met je groepsgenoten, dus waarom zou je als walvis een andere keuze maken dan ‘m gewoon smeren. En zo werd Sully opgevangen in de Jan Thiel Baai, waar ik dagelijks zwom. Dit jaar, en ook een paar jaar daarvoor.

    In de Jan Thielbaai

    Over de Jan Thielbaai: Het is een prachtige baai met blauw water en je kunt het einde van de zee niet zien. Als je zwemt, zwem je letterlijk in het niets, naar het niets. Onder water moet je niet kijken, daar zwemt ook van alles in het niets, naar het niets. Je kunt beter je ogen onder water stijf dicht houden.

    Sully, short for Sullivan, had zijn ogen wagenwijd open en er werd voor hem een speciale ‘baai’ gemaakt. Afgesloten met enkele vlotten/vlonders. En een touw dat een afscheiding maakte op de pier tussen zijn verzorgers/oppassers en het strandpubliek.

    Het SCCN, (het Southern Caribbean Cetacean Network) is een Amerikaanse organisatie die zich ontfermt over hem. Met als doel hem uiteindelijk als een Free Willy de zee in te laten. En zo gaat er elke morgen een boot een flink eind de oceaan op. Sully zwemt ervoor. In de hoop een ‘pod’ ofwel school aan te treffen waar hij zich weer bij kan aansluiten.

    Maar nee.

    Deze Free Willy zit toch wat gecompliceerder in elkaar dan zijn Hollywoodversie. Enkele pogingen de zee op waren tevergeefs en hij kwam ook vrolijk terugzwemmen.

    Geef de vis eens ongelijk. Hij krijgt lekkere haringen, wordt gescrubd en zwemt in een veilige omgeving met speelgoed. Wat zou jij dan doen als walvis?

    Nou?

    Precies. Mocht het helemaal niet meer lukken om Sully in een school te krijgen, dan kan ie naar California waar hem een leven te wachten staat in het Sea Aquarium. Ook in een Pod.

    Vrijwilligers

    Hoe dan ook, Sully is ondertussen van zielige vis veranderd in een krachtige walvis die de schrik is van de baai. Elke dag passen één of meerdere mensen op de griend. Zijn gedrag wordt in de gaten gehouden, en in een logboek opgeschreven (in het Engels) Samen met George (van de SCCN) wordt onze Sully gevoerd, worden duikers uit de baai weggejaagd en plastic dat door toeristen is weggeflikkerd uit het water gevist. Dat zijn wel zo’n beetje de werkzaamheden.

    Dit alles wordt gedaan door vrijwilligers.

    Op een maandagmorgen kwamen ze mensen tekort. En zo gaf ik me op. Had me in de dagen ervoor uitgebreid laten bijpraten over het hoe en wat m.b.t. het verzorgen van een walvis en een kleine cursus er achteraan gevolgd. Wat te doen in noodgevallen.

    Altijd handig. Ik kan weliswaar voor een kater zorgen, maar wie zegt dat ik een griend aankan? Om te beginnen moet je fysiek sterk zijn, je gaat geregeld het het water in om plastic op te ruimen en de golven in die baai zijn sterk. Heel sterk.

    Een paar dagen daarvoor klom ik op een rots, waar je de zon echt supermooi zag ondergaan. Dat er grote golven op de rotsen braken, vond ik geweldig. Bleef wel op een veilige afstand. Totdat er een grote golf kwam, die mij letterlijk als een gum uitveegde.

    Ik werd enkele meters verder de zee in geslingerd en er zaten kleine kiezeltjes in mijn haren. Toen ik eenmaal weer de rots opklom, voelde ik kleine steekjes op mijn hoofd. Ik haalde de kiezeltjes uit mijn haren en mijn hand zat onder het bloed. Het waren een paar kleine wondjes, maar genoeg om te snappen je golven lelijk kunt onderschatten. Die maandagmorgen en middag wist ik wat me te doen stond. Ik zorgde ervoor dat het goed bleef gaan met Sully en als er een noodgeval was, kon ik George bellen met een mobiel dat speciaal daarvoor op de post was achtergelaten.

    Ik keek naar de baai en zag Sully een beetje rondzwemmen. Nam de uiterlijke kenmerken en gedragingen van het dier eens flink in me op. Een echt grote vis, kan ik je zeggen. Met zijn gitzwarte bovenkant stak ie behoorlijk af in het felblauwe zeewater. Een grote stompe kop, zijn ogen meestal onder water. En een staart dat een schip in tweeën kan klieven. Een ‘klein’ gevaarte van zo’n 400 kilo. Drie a vier jaar oud.

    Er hing een blauwe bal aan een kabel over het water, voor het geval ie wou spelen.

    Sully dreef in het water, roerloos.

    Er kwam een schip aan varen en dat veroorzaakte grote golven in de baai. De walvis kantelde, maakte piepgeluidjes en werd opeens erg actief. Zwom flink heen en weer.

    De golven ebten weg. En de vis werd weer rustig. Een uur verder.

    George gaf ‘m vis (haringen) met medicijnen die Sully nodig heeft. Sully bleef in het water drijven. Een zwarte lange verschijning dat sliep als hij zo dreef, leerde ik. Ze slapen maar zo’n 30 seconden per keer en maar een paar keer per dag.

    De pilot whale-nanny

    Rare beesten. Af en toe joeg ik wat duikers weg, die een glimp van het dier wilden opvangen. Aangezien het een wild dier is, mogen er niet veel mensen in de buurt komen. Anders kan hij zich helemaal niet meer aanpassen aan het wilde leven op zee straks. Ineens werd Sully erg actief. Ramde de bal een paar keer, schurkte met zijn rug en flanken langs de netten tussen de vlonders, waarmee de baai was afgebakend van de zee. Ik pakte de scrubbezem en klopte in het water. Dat veroorzaakte geluiden waar ie op afkwam, als hij althans zin had om te worden gescrubd.

    Daar kwam meneer aanzwemmen, klaar voor zijn scrubbehandeling.

    Dankbaar rolde hij op zijn rug, en ik schrobde het dier op zijn buik. Daarna waren zijn flanken aan de beurt. Het dier maakte piep en kraakgeluidjes. Ik voelde me als dat jongetje uit de film ‘Free Willy’. Alleen dan als meisje. Ik betrapte mezelf erop dat ik tegen hem praatte. Alsof ie mijn kat was die werd gekrabbeld op zijn buik.

    Anyways, meneer vond het allemaal prima. Ondertussen schreef ik in het logboek over bovenstaande gedragingen in de uren dat ik oppaste. Viste twee stukjes plastic uit het water. Wat overigens ook een riskant werkje was, want als ik in het water zou vallen zou de vis me als een speeltje zien.

    En als een 400 kilo wegend slagschip een 54 kilo wegend speeltje ziet….You do the math……… Rond de middag kwamen een paar Amerikanen en twee Nederlandse vrouwen om me af te lossen. Ik droeg het logboek af en liep naar de andere kant van de baai.

    Het was aan het schemeren en ik zag het dier een langzame ronde zwemmen langs de vlonders. In de afgelopen dagen dat ik Sully bestudeerde, deed hij dat altijd in de schemering. Zijn zwarte huid glinsterde door de zon. Soms kantelde ie weer en zag je zijn grijze buik. Vond mijn iPod in de strandtas en luisterde naar het liedje: ‘Give my life’ van de Army of Lovers. ‘Come see my spirit fly…’.

    Ik hoop dat Sully uiteinlijk Zijn Pod vindt. En als sterke griend kan luisteren naar de geluiden van de andere vissen, de zee, de vrijheid.

    Weg van die afgesloten baai.

    ICYIZERE: Hope

     

    Augustus 2009

    In het vliegtuig van Cincinatti naar Amsterdam zat ik naast Patrick Mureithi. Een beginnende documentairemaker uit Missouri. Hij heeft de documentaire ‘ICYIZERE’ gemaakt, dit is Rwandanees voor ‘hoop’. (Hope) De film gaat over een behoorlijk heftige confrontatie tussen slachtoffers en daders van de Rwandese massaslachting in 1994.

    Patrick vroeg me of ik er een recensie over wilde schrijven, dat doe ik met deze blog. De recensie is natuurlijk in het Engels.

    Introduction

    On my flight from Cincinatti to Amsterdam I met Patrick Mureithi, a documentarymaker from Missouri. He produced a film about Rwanda and asked me if I could write a review about the documentary.

    Dear Patrick, thank you for the film and good luck with your career. This review is for you.

    In 1994 hundreds of thousands people were killed during the Rwandanese genocide. A civil war between the Hutu’s and Tutsi’s.

    Years later after the civil war the Rwandanese people still don’t trust eachother. The marks of the civil war are still very deep.

    Solange (27) ,also known as Maniraguha in Kinyarwanda (Rwandanees language), works for the Friends Peace House. She and her colleagues organized a three days workshop in Gisenya for survivors and perpetrators of the mass killings. A lot of Rwandanese people do not understand why they were supposed to hate eachother. The goal of the workshops is to help eachother dealing with the trauma of the war. To make an effort to forgive eachother and to have hope in rebuilding the trust.  They talk and do exercises to achieve these goals.

    Baptiste

    It is an emotional reconciliation of people who suffer from the war trauma every day. Women who were raped, lost their family and nearly survived the drama. Men who were forced to use the violence, who killed because they had to etc.

    One man, called Baptiste, explains how he was forced to kill Tutsi and Tutsi related persons. They killed people in front of him and forced him to look.

    A woman, Marie Claire, tells that her husband was killed in front of her, how she was hopeless because a woman without a husband has no value in the society.

    Other participants talk about how they had to flee from eachother to Nairobi. Waited and lived in insecurity about the situation.

    They write about their thoughts and discuss it in the class. They talk about their dreams and nightmares. About lost relatives and how they dealt with the killings. The film shows an emotional picture where people laugh and cry. Some people are open to forgive and to talk, others close up and need more time to adjust. Some participants were blindfolded and were guided by others, as a part of an exercise about trust.

    My view

    The documentary is filmed on a base of integrity when it comes to showing emotions of the participants of the workshop. It starts with an explanation of the civil war, which is good because of the context of the workshop.

    Only sometimes I find it a bit hard to see how sometimes a perpetrator and victim have discussions, write and talk about trust, while the family of this victim was brutally slaughtered. If I would face the person who took part of the killings of my family I would probably grab his pen and stab it in his eyes!

    But than again I have absolutely no idea what it is like to survive such horror as these people did..

    The documentary shows a clear image of people who seek the power and the need for forgiveness, understanding and processing, dealing with their traumas. With 95 minutes it is quite long, but the producer used it well to go deep into the relations of the participants.

    Out of 5 stars, this documentary gets 4!

    Bron foto: uncw.edu

    Copyright © 2011-2012 All rights reserved.
    Desk Mess Mirrored version 1.9 theme from BuyNowShop.com.